Alle IT-kennis onder één wereldwijd dak
Werken bij de beste IT dienstverlener van Nederland?
Resultaat door passie voor IT
Start trefwoorden te typen om de site te doorzoeken. Druk enter om te verzenden.
Generative AI
Cloud
Testing
Artificial intelligence
Security
De mentale gezondheid van Nederlanders gaat al jaren achteruit, maar vooral jongvolwassenen vallen nu massaal uit. Trimbos meldde vorige week dat angst- en depressieve klachten juist onder deze groep blijven stijgen. Terwijl beleidsmakers zich zorgen maken over het gebruik van AI-chatbots voor mentale steun, verschuift de realiteit onder hun voeten: jongeren wenden zich vanwege dit groeiende zorgprobleem tot algoritmes. Juist omdat de zorg het laat afweten.Uit nieuw Amerikaans onderzoek blijkt dat 13 procent van de jongeren en maar liefst 22 procent van de 18- tot 21-jarigen AI inzet voor mentale hulp. Bijna twee derde van hen doet dat maandelijks of vaker. In de VS krijgt 40 procent van de jongeren met depressieve klachten helemaal geen zorg. Geen wonder dat 5,4 miljoen jongeren AI gebruiken voor emotionele steun.Hoewel de gezondheidssector in de VS van een andere aard is dan de Nederlandse laat het onlangs gepresenteerde rapport De stand van de jeugdzorg 2025 zien dat we ook hier met genoeg problemen worstelen: ellenlange wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg (ggz), hoge kosten, schaamte, een tekort aan therapeuten en bureaucratische rompslomp. AI omzeilt die drempels, want altijd beschikbaar, anoniem en gratis.
Jongeren kiezen niet voor algoritmes omdat die superieur zijn aan menselijke therapeuten, maar omdat ons zorgsysteem hen structureel in de steek laat. Terwijl wij ons druk maken over de ethische risico’s van ‘AI in therapie’, hebben jongeren allang de keuze gemaakt die wij hen nooit hebben geboden. Daardoor ontstaat een moreel scheve situatie: de AI dringt zich niet op, maar de zorg die wegvalt, duwt jongeren richting technologie.Toch is AI geen veilige haven. Bekende chatbots als ChatGPT, Gemini, Grok en Character zijn nooit ontworpen voor psychologische begeleiding. Dat zien we terug in wie ze wél en níét helpen: jongeren uit lagere sociaaleconomische groepen of met een migratieachtergrond vinden AI gemiddeld minder behulpzaam omdat algoritmes de vooroordelen reproduceren die in hun trainingsdata zitten. Daarbij lopen er inmiddels meerdere rechtszaken waarin AI wordt beschuldigd van nalatigheid en zelfs van het aanmoedigen van zelfdestructief gedrag. Kortom: het huidige AI-vangnet zit vol gaten.
Maar het alternatief, geen vangnet, is ook niet wenselijk.
Intussen laten nieuwe studies zien wat er wél mogelijk is als AI doelgericht wordt ontworpen. In een onderzoek onder bijna vijfhonderd studenten, uitgevoerd door Harvardonderzoekers, leidde toegang tot een zorgvuldig ontwikkelde welzijnsapp, Flourish, tot minder eenzaamheid, meer verbondenheid, meer veerkracht en een toename in positieve emoties.
Daarom moeten we onderscheid maken tussen soorten AI. De huidige generieke chatbots zijn ontworpen om zoveel mogelijk gesprekstijd te genereren, een commercieel doel dat haaks staat op therapeutische integriteit. Maar domeinspecifieke AI-modellen, die getraind zijn voor een beperkte en gecontroleerde functie, zijn energiezuiniger, veiliger en, zolang ze goed ingebed worden in een menselijk zorgkader, beter geschikt voor mentale ondersteuning.
En precies dat ontbreekt nu. AI-gebruik is voor veel jongeren nog steeds iets dat ze in stilte doen, deels uit schaamte, deels omdat volwassenen het onderwerp vermijden. Maar ontkennen heeft geen zin: meer dan een miljard mensen gebruikt wekelijks een chatbot. AI-gebruik tot taboe verklaren helpt niemand.
Professionals, ouders, docenten en therapeuten zouden jongeren actief moeten vragen naar hun AI-gebruik. En dan niet om het af te straffen, maar om het te begrijpen. AI-gebruik moet uit de taboesfeer gehaald worden. We moeten leren AI expliciet te integreren in mentale ondersteuning: in behandelplannen, in onderwijs, in gesprekken tussen jongeren en hun omgeving. Bespreek welke thema’s wél bij een chatbot kunnen en welke, zoals suïcidegedachten, trauma of acute crisis, thuishoren bij vrienden, familie en professionals.
Goed leren omgaan met AI vraagt uiteindelijk meer dan AI-geletterdheid. Het gaat inmiddels niet meer alleen om informatie opvragen, maar ook over identiteitskwesties en zelfs zingevingsvragen. Jongeren praten nu al met chatbots over wie ze zijn, hoe relaties werken en hoe ze emoties moeten duiden. We kunnen blijven wegkijken omdat wat we zien ons niet aanstaat. Of we kunnen stilstaan bij de nieuwe fundamentele vragen: hoe onderscheid je echte intimiteit van de kunstmatige nabijheid van een algoritme? Wat gebeurt er met vaardigheden als luisteren, compromissen sluiten en geduld als AI altijd beschikbaar is en nooit iets terugverwacht?
Deze vragen laten zien dat AI niet alleen een technologisch thema is, maar een relationeel en maatschappelijk vraagstuk. Het vereist samenwerking tussen technologen, clinici, ethici, pedagogen en jongeren zelf. Alleen dan kunnen we systemen ontwerpen en adequaat financieren die niet isoleren, maar verbinden.
AI verdwijnt niet meer uit het leven van deze generatie. We kunnen het blijven wegzetten als surrogaat of we kunnen het begeleiden en inbedden in echte zorg en onderwijs. Dat vraagt lef, van therapeuten, docenten, ouders en beleidsmakers. Doen we dat niet, dan kiezen we ervoor een generatie te laten opgroeien met een vangnet dat wij zelf nooit hebben durven repareren.